Page images
PDF
EPUB

4 (5*). De uitoefening der burgerlijke regten wordt door de wet bepaald. (G. 146; A. 9; B. 2.)

5. Om eenig burgerschapsregt te hebben, moet men Nederlander zijn.

6 (7—10“). Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar. (G. 166.)

Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet. (Stb. 1858 no. 46.)

7. De wet verklaart wie Nederlanders zijn. a)
Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd. b)

8 (225*). Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. (Sr. 367 v., 471 no. 11; B. 1408 v.) c)

9 (159*). Ieder ingezeten heeft het regt, om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meer worden onderteekend, welk laatste alleen kan geschieden door of van wege ligchamen, wettelijk zamengesteld of als zoodanig erkend, en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot hunne bepaalde werkzaamheden behoorende. (G. 134, 144.)

10. Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend.

De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde. (Stb. 1855 no. 32.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

Van den Koning.

EERSTE AFDEELING.

Van de Troonopvolging. 11 (11). De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen.

12 (12). De wettige nakomelingen van den regerenden Koning, zijn de kinderen reeds geboren, of die nog mogten geboren worden, uit zijn tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina, Prinses van Pruissen; en voorts in het algemeen alle afstammelingen, welke geboren zullen worden uit een huwelijk door den Koning, met gemeen overleg der Staten-Generaal aangegaan, of toegestemd. d)

van hunne uitlevering, verdragen met vreemde mo. gendheden kunnen gesloten worden. Met intrekking van dit gedeelte der Wet van 1849, zijn die voorwaarden thans afzonderlijk geregeld bij de Wet van den 6den April 1875 (Stb. no. 66).

a) De Wet van den 28sten Julij 1850 (Stb. no. 44), tot herstelling van cene fout gewijzigd bij die van den 3den Mei 1851 (Stb. no. 46), verklaart wie Nederlanders zijn ten aanzien van het genot van burgerschapsreglen. Het burgerregtelijk Nederlanderschap is geregeld in de artt 5 volgg. B. W.

no. 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel en den eigendom van letterkundige werken. Zie de Wetten van den 28sten September 1816 (Stb. no. 51), tot vaststelling van straffen voor hen, die vreemde Mogendheden beleedigen, van den 16den Mei 1829 (Stb. no. 34), hordende aanvulling van eenige ga. pingen in het Wethoek van Strafregt (artt. 2 volgg.),

van den 1sten Junij 1830 (STb Do. 15), tot be. teugeling van hoon en laster en andere veryrijpen tegen het openbaar gezag en de algemeene rust.

b) Vg. de artt. 5 volgg. der in de vorige noot aangehaalde Wet van 1850).

c) De censuur werd reeds afgeschaft bij het Souverein Besluit van den 24sten Januarij 1814 (Stb.

d) Tot het huwelijk van den thans regerenden Koning, Willem III, met H. K. H. Mevrouw de Prinses SOPHIA FREDERIKA MATHILDA VAN WURTEMBERG werd toestemming verleend bij de Wet van den gaten December 1838 (Stb no. 39).

en

13 (13"). De Kroon gaat over door regt van eerstgeboorte, des dat de oudste zoon van den Koning a), of wel het mannelijk oir van den oudsten zoon bij representatie, opvolgt.

14 (14"). Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudsten zoon gesproten, gaat de Kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir, insgelijks door regt van eerstgeboorte en representatie.

15 (15*). Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir uit het Huis van OranjeNassau, gaat de Kroon over op de dochters van den Koning door regt van eerstgeboorte.

16 (16). Ook dochters van den Koning ontbrekende, brengt de oudste dochter van de oudste nedergaande mannelijke lijn uit den laatsten Koning de Koninklijke waardigheid in haar Huis over, en wordt bij voor-overlijden door hare afstammelingen gerepresenteerd.

17 (17). Zoo er geene mannelijke nedergaande lijn uit den laatsten Koning bestaat, erft de oudste nedergaande vrouwelijke lijn, des dat de mannelijke tak vóór den vrouwelijken tak, en de oudste vóór den jongeren, en in iederen tak mannen vóór vrouwen, en ouder vóór jonger den voorrang hebben. b)

18 (18). Wanneer de Koning zonder nakomelingschap sterft, en er geen mannelijk oir uit het Huis van Oranje-Nassau overig is, volgt hem zijne naaste bloedverwante, mits van den Koninklijken Huize zijnde, op, en wordt mede, bij voor-overlijden, door hare afstammelingen gerepresenteerd.

19 (19). Wanneer eene vrouw de Kroon in een ander Huis heeft overgebragt, treedt dit Huis in al de regten van het oorspronkelijk Stamhuis, en de vorige artikelen zijn op hetzelve toepasselijk, met dat gevolg, dat haar mannelijk oir vóór alle vrouwen of vrouwelijke afstammelingen erft, en geene andere lijn geroepen wordt, zoolang iemand van hare nakomelingen in leven is.

20 (20). Eene Prinses, buiten toestemming der Staten-Generaal, een huwelijk hebbende aangegaan, heeft geen regt tot de Kroon.

Eene Koningin, buiten die toestemming een huwelijk aangaande, doet afstand van de Kroon. (G. 12.)

21 (21*). Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Koning Willem Frederik van Oranje-Nassau, gaat de Kroon over op deszelfs zuster, Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje, douairière van wijlen Carel George August, Erfprins van Brunswijk-Lunenburg, of hare wettige nakomelingen, uit zoodanig nader huwelijk, als door dezelve, overeenkomstig art. 12, mogt worden aangegaan. '(G. 25.) c)

22 (22"). Indien ook de wettige nakomelingschap van deze Vorstin ontbreekt, gaat het erfregt over op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden, en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, insgelijks door regt van eerstgeboorte en representatie. (G. 25.) d)

23 (23“). Wanneer bijzondere omstandigheden eenige veranderingen in de opvolging van den troon noodzakelijk maken, is de Koning bevoegd, daaromtrent eene voordragt te doen, te behandelen op de wijze, ten aanzien van verandering in de Grondwet, in artt. 196, 197 en 199 voorgeschreven. (G. 25.)

24 (24* – 26*, 50*). Hetzelfde vindt plaats, wanneer er geen bevoegde opvolger naar deze Grondwet bestaat.

Is de opvolger niet benoemd of ontbreekt hij bij overlijden des Konings, a) De regerende Koning, Willem III, gaf kennis c) Deze vorstin is, reeds in 1818, kinderloos

de door Hem gedane aanvaarding der regering bij overleden. Proclamatie van den 21 sten Maart 1849 (Stb. no. 7). d) Zie de Resolutie van de Staten van Holland,

b) In de officiële uitgave wordt, evenals in de van den 16den November 1747 (Groot Placaatb. 1, Grondwet van 1815, aan het woord tak het vrou- bl. 156 volgg.) welijk geslacht gegeven,

van

[merged small][ocr errors][merged small][merged small]

dan geschiedt de benoeming door de Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, in vereenigde zitting. (G. 25, 97.)

25 (27"). In de gevallen in artt. 21, 22, 23 en 24 omschreven, wordt de troonopvolging geregeld naar de bepalingen van artt. 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18 en 19.

26 (28"). De Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg. a)

In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden verplaatst.

1

TWEEDE AFDEELING.

Van het inkomen der Kroon. 27 (29*—30*). Behalve het inkomen uit de domeinen, door de wet van den 26sten Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door den Koning tot kroondomeinen aan den Staat teruggegeven, geniet Koning Willem Il een jaarlijksch inkomen van één millioen gulden uit 's Lands kas. b)

Bij elke nieuwe troonsbeklimming wordt het inkomen der Kroon door de wet geregeld. c)

28 (31). Den Koning worden tot deszelfs gebruik zomer- en winter-verblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan f 50.000 jaarlijks ten laste van den Lande kunnen worden gebragt.

29 (32"). De Koning en de Prins van Oranje, zijn vrij van alle personele lasten. d)

Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen genoten. (G. 172.) 30 (33). De Koning rigt zijn Huis naar eigen goedvinden in.

31 (34*). Het jaarlijksch inkomen eener koningin-weduwe, gedurende haren weduwelijken staat, uit 's Lands kas is | 150.000.

32 (35). De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan, en voert den titel van Prins van Oranje. e)

33 (36). De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit 's Lands kas een jaarlijksch inkomen van ( 100.000, te rekenen van den tijd dat hij den ouderdom

a) Vg. art. 6 van den Parijschen vrede, van den 30sten Mei 1814, en art l van het hierboven (in de noot a) op art. l) aangehaalde Verdrag van den 17den Mei 1867.

b) De bij de Wet van den 26sten Augustus 1822 (Stb. no. 40) aan Koning Willem I afgestane do. meinen zijn door hem, bij Besluit van den 28sten Augustus 1822 (Bijv. t h. Stb. IX. 518), onder bepaalde voorwaarden gedeeltelijk afgestaan aan de Maatschappij van Volksvlijt te Brussel, en later, bij art. 60 van het Tractaat met België, van den 5den Nov. 1842 (Stb. 1843 no. 3), voor zooreel zij op het Nederlandsch grondgebied gelegen waren , in vollen eigendom aan hem teruggegeven, tegeu afstand van die, welke tot België behoorden, en van alle roerende en onroerende goederen, den Koning in privaat-eigendom toebehoorende, die in België aanwezig waren. Uit kracht van dit art. 27 der Gw, stond Willem II die domeinen in 1848 aan den Staat af en maakte ze tot Staatsdomeinen, verbonden aan de Kroon. Zij kunnen dus niet vervreemil worden en zijn goederen van den Staat, waarvan de Kroon de inkomsten heeft. Bij K. B. van den laten Mei 1856 (Stb. 1857 no. 2) is eene eerste re

geling van het bestuur dier domeinen gemaakt,
nadat de akte van overdracht aan het Rijk (d. d.
16 April 1856) in de openbare registers was over-
geschreven. Later zijn bij de Wet van den 1sten
Mei 1863 (Stb. no. 42) voorzieningen getroffen om-
trent het novaal tiendregt van het Kroondomein, en
is bij eene Wet van denzelfden datum (Stb. no. 43)
het beheer definitief geregeld. De Instructie van
den Administrateur is vastgesteld bij Besluit van den
17den Mei 1863 (Stb. no. 61).

c) „Het inkomen van de Kroon wordt, gedurende
Ouze (van Willem III] regering, vastgesteld op eene

zes honderd duizend gulden jaarlijks, behalve de inkomsten van de Kroondomeinen, in art. 27 der Grondwet vermeld." Wet van den 10den Augustus 1849 (Stb. no. 32).

d) Door „personele lasten” verstond de Regering van 1848: „met uitzondering van de grondbelasting, alle directe belastingen, die vooraf beschreven en volgens vastgestelde kohieren ingevorderd worden, waaronder dus ook belastingen op de inkomsten zijn begrepen.” Voorduin, Grondwet, bl. 134.

e) Vg. de Proclamatie van Willem I, van den 16den Maart 1815 (Stb. no. 27).

som

van

van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op / 200.000, na het voltrekken van een huwelijk, overeenkomstig art. 12 dezer Grondwet.

DERDE AFDEELING.

Van de Voogdij des Konings. 34 (37). De Koning is meerderjarig, als zijn achttiende jaar vervuld is.

35 (38“). Zoolang de Koning minderjarig is, staat hij onder de voogdij van eenige leden van het koninklijk Huis en eenige aanzienlijke Nederlanders.

36 (39). De voogdij wordt geregeld en de voogden worden benoemd door eene wet.

Over het ontwerp dier wet nemen de Staten-Generaal hun besluit in eene vereenigde zitting der beide Kamers. a)

37 (40“). Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, 200 worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwonten yang len minderjarigen

38 (41"). Alvorens de voogdij takvaarden, legt elk der voogden, in eene vereenigde zitting van de beide Kamers de PRÍS TEORIAeraal, in handen van den voorzitter, den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof) al de vpligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig te vervullen, en er mij » bijzonder op te zullen toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de » Grondwet en liefde voor zijn volk in te boezemen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig !" (»Dat beloof ik!") 39 (46"). Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de, voogdij van een minderjarigen Koning in art. 36 en volgende bepaald. (G. 42.)

VIERDE AFDEELING.

Van het Regentschap. 40 (42"). Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt het koninklijk gezag waargenomen door eenen Regent. (G. 34, 198.)

41 (42", 43“). De Regent wordt benoemd door eene wet, die tevens de opvolging in het regentschap, tot 's Konings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over het ontwerp dier wet nemen de Staten-Generaal hun besluit in eene vereenigde zitting der beide Kamers.

De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. b)

42 (45“). Het koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen.

Wanneer dit aan den Raad van State, vereenigd met de hoofden der ministeriële departementen, na een naauwkeurig onderzoek, is gebleken, roept

a) Deze wet is tot dusver niet tot stand gekomen. Zij werd in de zitting van 1849—1850 ingediend, doch verworpen.

b) „Tot Regent van het Koningrijk, gedurende de minderjarigheid van Onzen Troonopvolger op het

tijdstip zijner komst tot den troon, wordt benoemd Onze beminde Broeder, Z. K. H. Willem Frederik Hendrik, Prins der Nederlanden." Art. 1 der Wet van den 4den Mei 1850 (Stb. no. 21). De opvolging in het Regentschap is bij die Wet niet geregeld.

deze vergadering onverwijld de Staten-Generaal in dubbelen getale bijeen, om hun van het voorhanden geval verslag te doen. a)

43. De Staten-Generaal onderzoeken het verslag, en, 200 zij in een besluit, in vereenigde zitting der beide Kamers in dubbelen getale genomen, er de juistheid van erkend hebben, wordt in den vorm eener plegtig af te kondigen wet verklaard, dat het geval, in het vorig artikel bedoeld, aan

wezig is.

44 (48“). Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld, wordt in het regentschap, gelijk in artt. 40 en 41 is bepaald, voorzien voor zoolang de Koning tot het waarnemen der regering buiten staat blijft , en de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld. (G. 46.)

45 (44“). De Regent legt, in eene vereenigde zitting van de beide Kamers der Staten-Generaal, in handen van den voorzitter den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof), dat »ik in de waarneming van het koninklijk gezag, zoolang de Koning » minderjarig is (zoolang de Koning buiten staat blijft de regering waar vte nemen), de Grondwet van het Rijk steeds zal onderhouden en »handhaven.

» Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied »des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik vde algemeene en bijzondere vrijheid, en de regten van alle des Konings »onderdanen, en van elk hunner zal beschermen, en tot instandhou»ding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle »middelen aanwenden, welke de wetten ter mijner beschikking stellen, »gelijk een goed en getrouw Regent schuldig is te doen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" (»Dat beloof ik !") b) 46 (47*). Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar vervuld heeft , is hij, in het geval van art. 42, van regtswege Regent.

47 (43*, 48°, 50'). Tot dat in het geval, in art. 42 aangewezen, de Prins van Oranje of de benoemde Regent het regentschap heeft aanvaard , wordt het koninklijk gezag waargenomen door de vergadering, zamengesteld als in art. 42 is voorgeschreven.

Hetzelfde vindt plaats, zoo, bij overlijden des Konings, een Regent voor - den minderjarigen opvolger of ook de bevoegde opvolger ontbreekt, tot dat de benoemde Regent of opvolger de regering heeft aanvaard. (G. 24.)

De leden van deze vergadering leggen in handen van den door hen gekozen voorzitter, en deze in eene vereenigde zitting van de beide Kamers der StatenGeneraal, den volgenden eed of belofte af:

» Ik zweer (beloof), dat ik, als lid (voorzitter) van dezen regeringsraad, vin de waarneming van het koninklijk gezag de Grondwet zal helpen »onderhouden en handhaven.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!” (»Dat beloof ik !") 48 (49"). Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op

a) „De vergadering, in art. 42 der Grondwet be van den minderjarigen Koping tot den troon, niet doeld, wordt bijeengeroepen door den vice-president, vergaderd of hunde bijeenkomsten tijdelijk geschorst hetzij ambtshalve, hetzij op een voorstel van vijf zijn, vaardigt de Regent onmiddellijk eene proclaleden van den Raad, hetzij op verlangen van de matie uit, waarin de eed, voorgeschreven bij art. hoofden der ministeriële departementen.

45 der Grondwet, wordt opgenomen, onder belofte Hij zit in de vergadering voor, tot door haar een de aflegging daarvan te zullen herhalen, zoodra de voorzitter is gekozen.” Art. 27 der Wet van den Staten-Generaal zijn bijeengekomen. 21 sten December 1861 (Stb. no. 129.)

De proclamatie wordt in het Staatsblad geplaatst." b) ludien de Stateu-Generaal, tijdens de komst Art. 3 der Wet van den 4den Mei 1850 (Stb. uo. 21.)

« PreviousContinue »