Page images
PDF
EPUB

het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het regentschap. (Stb. 1850 no. 42.) a)

Deze bepaling kan gedurende het regentschap niet worden veranderd.

49. De Koning, op wien art. 43 is toegepast, herneemt zoodra mogelijk de waarneming der regering, krachtens eene wet, waarin die, welke in het genoemde artikel is bedoeld, wordt afgeschaft.

Tot aan deze afschaffing zijn de hoofden der ministeriële departementen, gelijk de voogden, persoonlijk gehouden, aan de Kamers der Staten-Generaal, zoo dikwerf het wordt gevraagd, van des Konings toestand verslag te doen. (G. 89.)

1

VIJFDE

AFDEELING.

Van de inhuldiging des Konings. 50 (51*). De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten-Generaal. b)

51 (52). In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:

Ik zweer (beloof) aan het Nederlandsche volk, dat ik de Grondwet » van het Rijk steeds zal onderhouden en handhaven.

»Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied »des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik »de algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van alle mijne onder»danen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de

algemeene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke ode wetten ter mijner beschikking stellen, zoo als een goed Koning »schuldig is te doen.

» Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!” (»Dat beloof ik!") 52 (53"). Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Generaal, wier voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt:

» Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche volk ven krachtens de Grondwet, U als Koning; wij zweren (beloven), dat »wij uwe onschendbaarheid en de regten uwer kroon zullen handhaven; » wij zweren (beloven) alles te zullen doen wat goede en getrouwe » Staten-Generaal schuldig zijn te doen.

»Zoo waarlijk helpe ons God almagtig!” (»Dat beloven wij!")

ZESDE AF DEELING.

Van de Magt des Konings. 53. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk. (G. 73.)

a) ,De op het jaarlijksch iv komen der kroon, ge des minderjarigen Konings door de wet te regelen." Art. durende de miuderjarigheid van Onzen troonopvolger, 1 en 2 der Wet van den ? sten Julij 1850 (Stb. no. 42). te nemen som voor de kosten van het Regentschap, Voor de gevallen, waarin de Prins van Oranje van wordt bepaald op honderd vijf en zeventig duizend regtswege Regent is, bevat deze wet geene regeling. gulden (f 175,000).

b) De regerende Koning, Willem III, is ingeDeze som wordt regtstreeks uit 's Rijks schatkist huldigd op den 12den Mei 1849. Zie de toen door aan den Regent uitbetaald, in mindering van het Hem gehouden toespraak bij de Bosch Kemper, jaarlijksch inkomen der Kroon, ingevolge het 2de lid Handl. t. d. kennis v. h. Ned. Staatsr, en Staatsbest. van art. 27 der Grondwet, bij de troonsbeklimming (Amst. 1865) bl. 134.

54. De uitvoerende magt berust bij den Koning. (G. 73, 130, 137.) 55 (55“). De Koning heeft het opperbestuur der buitenlandsche betrekkingen.

56 (56"). De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als hij met het belang en de zekerheid van het Rijk bestaanbaar acht. (G. 89.)

57 (56*, 57“). De Koning maakt en bekrachtigt vredes- en alle andere verdragen met vreemde mogendheden.

Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra hij oordeelt, dat het belang en de zekerheid van het Rijk zulks toelaten.

Verdragen, welke, hetzij afstand of ruiling van eenig grondgebied des Rijks in Europa of in andere werelddeelen, hetzij eenige andere bepaling of verandering, wettelijke regten a) betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd, dan nadat de Staten-Generaal die bepaling of verandering hebben goedgekeurd. (G. 1, 59.)

58 (58"). De Koning heeft het oppergezag over zee- en landmagt. (G. 177 v.)

De militaire officieren worden door hem benoemd. Zij worden door hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens de regels, door de wet te bepalen. (G. 54.) b)

De pensioenen worden door de wet geregeld. c)

59 (59“). De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen. (G. 72, 118.)

De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld. d)

Het muntstelsel wordt door de wet geregeld. e)

a) „Onder wettelijke regten verstaat de Regering [van 1848] niet alleen voorschriften van eenige bestaande wet, maar het regt der wetgevende magt in zijnen yanschen omvang, zoodat bij tractaat niet in hare bevoegdheid kan worden gegrepen, noch, zonder haar, eenig punt gevestigd, dat binnen den kring van haar grondwettig gezag ligt.” Voorduin, t. a. p. bl. 146.

b) De bevordering, het ontslag en het op pensioen stellen der milituire officieren is, wat de zeemagt be. treft, geregeld bij de Wet van den 28sten Augustus 1851 (Stb. no. 126), gewijzigd bij de Wetten van den 4den September 1853 (Stb. no. 87), van den 11den Julij 1855 (Stb. no. 73) en van den 6den April 1871 (Stb. no. 35) en, wat de landmagt betreft, bij de Wet van den 25sten Augustus 1851 (Stb. no. 128), gewijzigd bij die van den 1 den Julij 1855 (Stb. no. 74).

c) De militaire pensioenen bij de zeemagt zijn geregeld bij de Wet van den 28sten Augustus 1851 (Stb. no. 127), gewijzigd en aangevuld bij die van den gden December 1851 (Stb. 1o. 150), van den 18den December 1852 (Stb. no. 212), van den 4den September 1853 (Stb. nis. 86 en 88), van den gaten Augustus 1862 (Stb. no. 159), van den 24sten December 1863 (Stb. no. 166), van den 21 sten Mei 1873 (Stb. no. 64), art. 4, en van den laten April 1875 (Stb. no. 33). De militaire pensioenen bij de landmagt zijn geregeld bij de Wet van den 28sten Augustus 1851 (Stb. no. 129), gewijzigd en aangevuld bij die van den gden December 1851 (SIb. 1o. 151), van den December 1852 (Stb. no. 212), van den den September 1853 (Slb. no. 86), van den gsten lugustus 1862 (Sth, no. 159), van den 24sten December 1863 (Stb, no. 166), van den 6den April

1869 (Stb. no. 40), en van den 21 sten Mei 1873 (Stb. no. 61), art. 4.

d) Het Reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indië is vastgesteld bij de Wet van den 2den September 1854 (Stb. no. 129), volgens Besluit vun den 15den October 1854 (Stb. no. 136), in werking getreden op den 1sten Mei 1855, en gewijzigd en aangevuld bij de Wetten van den gden April 1870 (St6 no. 71) en van den 21 sten Julij 1870 (Stb. no. 136); dat op het beleid der regering in de Kolonie Suriname bij de Wet van den 3) sten Mei 1865 (Stb. no. 55), volgens Besluit van den 28sten September 1865 (Stb. no. 117) in werking getreden op den 1sten Januarij 1866; en dat op het beleid der regering in de Kolonie Curaçao bij de Wet van den 31 sten Mei 1865 (Stb. 1o. 56), insgelijks, volgens Besluit van den 28sten September 1865 (Stb. no. 118), in werking getreden op den lsten Januarij 1866.

e) Zie de Wetten van den sten Mei 1854, tot regeling en tot aanwijzing der middelen van herstel van het Muntwezen van Nederlandsch Indië, (Stb. nis. 75 en 76), de Wet van den 20sten April 1855 (SID no. 12), tot regeling van de koperen pasmunt in Nederlandsch Indië, het Besluit van den 23sten Junij 1855 (Stb. no. 46), houdende bepaling van den beeldenaar en de middellijnen der koperen pasmunt coor Nederlandsch Indië, het Besluit van den 3den Junij 1854 (Stb. no. 83), bepalende onder anderen de middellijnen der zilveren pasmunt voor Nederlandsch Indië, de Wet van den 24sten December 1857 (Stb. no. 173), tot verdere regeling van het muntwezen in Nederlandsch Indië, gewijzigd bij de Wellen van, den 22sten Junij 1862 (Stb. uo. 126) en van den

Alle onderwerpen, deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan. a)

60 (59*). De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat, waarin zij zich bevinden.

De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen. (Stb. 1864 no. 35; Stb. 1867 no. 19.)

61 (60*). De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegiën en ambtenaren, die uit 's Lands kas worden betaald. (G. 176.)

De wet regelt de bezoldiging van de ambtenaren der regterlijke magt. (Staten achter R. O.)

De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der staatsbehoeften. (G. 119.)

De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld. (Stb. 1846 no. 24; Stb. 1851 n°. 49; Stb. 1863 no. 166; Stb. 1873 n'. 64.)

62 (61). De Koning heeft het regt van de munt. Hij vermag zijne beeldtenis op de muntspeciën le doen stellen. (G. 174, 175.)

63 (62*, 65“). De Koning verleent adeldom. b) Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen. c)

64 (63). Ridder-orden worden door eene wet, op het voorstel des Konings, ingesteld. d)

65 (64*, 65“). Vreemde orden, waaraan geene verpligtingen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning, en, met zijne toestemming, door de Prinsen van zijn Huis.

In geen geval mogen de onderdanen des Konings vreemde ordesteekenen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder zijn bijzonder verlof. e)

66 (66"). De Koning heeft het regt van gratie van straffen, door regterlijke vonnissen opgelegd. (Sv. 367 v.)

Wanneer het veroordeelingen betreft tot drie jaren gevangenis en daar beneden en tot geldboete, hetzij te zamen, hetzij afzonderlijk, oefent de Koning

26steo December 1863 (Stb. no. 194), waardoor tevens wijzigiug is gebracht in art. 19 der Wet van den 1stea Mei 1854 (Stb. no. 75). Vg. ook de Wetten van den 20sten April 1855 (Stb. no. 13) en van den 24sten December 1857 (Stb. no. 174), tot nadere aanwijzing der middelen tot herstel en regeling van het muntwezen in Nederlandsch Indië. Het Muntwezen in de West-Indiën is geregeld bij de Wet van den 14 den December 1853 (Stb. no. 126), waarbij voor de Koloniën en bezittingen van het Rijk in de West-Indiën verbindend werd verklaard de Wet van den 26 sten November 1847 (Stb. no. 69), tot regeling van het Nederlandsche Muntwezen.

a) Zie onder anderen de Wetten van den 7den Mei 1859 (Stb. no. 33), tot regeling van de afschaffing der slavernij in Nederlandsch Oost-Indië, en van den gaten Augustus 1862 (Stb. nis. 164 en 165), tot opheffing der slavernij in de Kolonie Suriname, en op de eilanden Curaçao, Bonaire enz., gewijzigd bij de Wetten van den 5den Julij 1864 (Sth no. 83), van den 25sten December 1866 (Stb. no. 191) en van den 22sten Mei 1873 (Stb. no. 66).

b) Het Besluit van den 26 stea Maart 1868 (Stb. no. 37) regelt den orergang van adellijke titels bij regt dan eerstgeboorte. Vgl. voorts de Besluiten van den 13deo Pebruarij 1815 (Stb. no. 15), van den 26 sten Januarij 1822 ($16. no. 1) en van den 24sten Mei 1827 (Stl. no. 28).

c) Art. 42 der Wet van den 24sten Junij 1854 (Stb. no. 92), zooals het gewijzigd is bij art. 5 der Wet van den 24sten December 1863 (Stb. no. 166), houdende nadere bepalingen ten opzigte van gepen. sioneerden en onderstand genietenden, die zich bui. ten 's lands begeven, bepaalt, dat het pensioen en de onderstand o. a, vervallen, wanneer de titularis vreemden adeldom aanneemt

d) De Militaire Willemsorde is ingesteld bij de Wet van den 30sten April 1815 (Stb. no. 33*), ge. wijzigd bij die van den 22steo April 1864 (Stb. no. 33); de Orde van den Nederlandschen Leeuw bij de Wet van den 29sten September 1815 (Stb. no. 47). De Duitsche Orde, Balye van Utrecht, werd hersteld en nader geregeld bij de Wet van den 8sten Augustus 1815 (S1b no. 43). De bevoegdheid der expectanten tot het dragen van het kleine kruis der orde is geregeld bij de bij Kon. beschikking van den 20sten December 1827 no. 131 bekrachtigde Ordesre. solutie van den 8sten September 1827. Zie ook het K. B. van den 22sten Junij 1860 (Bijv. t. h Stb. no. 178).

e) Het in de noot b) op art. 63 aangehaalde art. 42 der Wet van den 24sten Junij 1854 (Stb. no. 92) bepaalt, dat het pensioen en de onderstand o. a. ook vervallen, wanneer de titularis buiten 's Konings toestemming een ordeteeken aanneemt, door eene vreemde mogendheid verleend.

dat regt uit, na gehoord advies van den regter, die het vonnis heeft gewezen; in de overige zaken, na gehoord advies van den Hoogen Raad. (Stb. 1856 no. 95.)

Amnestie en abolitie worden niet dan door eene wet toegestaan.

67 (67“). Dispensatie wordt door den Koning slechts verleend van eene bepaalde wet, in de gevallen door de wet omschreven. (B. 86, 88, 111, 134, 1506; Stb. 1842 no. 20, a. 8 al. 3; Stb. 1851 n° 85, a. 63.) a)

68 (68"). De Koning beslist alle geschillen van bestuur, welké tusschen twee of meer provinciën ontstaan, wanneer hij die niet in der minne kan doen bijleggen. (G. 132.) b)

69 (69"). De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor, en doet zoodanige andere voorstellen, als hij noodig oordeelt

. (G. 105 v.) Hij heeft het regt, om de voorstellen, hem door de Staten-Generaal gedaan, al of niet goed te keuren. (G. 110 v., 114 v.)

70. De Koning heeft het regt, om de kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden.

Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertien dagen, en tot het zamenkomen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden. (G. 99.) c)

ZEVENDE AFDEELING. Van den Raad van State en de Ministeriele Departementen. 71 (70*—71"). Er is een Raad van State, welks zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet. (Stb. 1861 no. 129.) d)

De Koning is voorzitter van den Raad, en benoemt de leden. De Prins van Oranje heeft echter, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, zitting van regtswege en eene raadgevende stem.

72 (72"). De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door hem aan de Staten-Generaal te doen, of door deze aan hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en van zijne kolonien en bezittingen in andere werelddeelen. (G. 69, 110.) e)

Aan het hoofd der uit te vaardigen wetten en bevelen wordt melding gemaakt, dat de Raad van State deswege gehoord is. (G. 116, 117.)

De Koning neemt wijders de gedachten van den Raad van State in over

[ocr errors]

a) Vg. de Wet van den 26sten Mei 1849 (Stb, no. 22), houdende toekenning, aan den eigenaar van zeker huis te Ooltgensplaat, van de daarbij vermelde dispensatie der Wet van den 16den November 1814 (Stb. no. 106), houdende bepalingen omtrent de militaire 's lands gronden, en het bouwen van woningen enz in den omtrek van restingen, euz.

b) De Wet van den 21 sten December 1861 (Stb. no. 129), houdende regeling van de zamenstelling en de bevoegdheid van den Raad van State, bepaalt o.a.

Art. 13, al. I en 2. De Raad wordt in afdeelingen verdeeld.

Eene daarvan, zamengesteld uit vijf leden , de vicepresident daaronder begrepen, is, onder diens voorzitterschap, belast met de taak, omschreven bij art. 23. Bij verhindering of ontstentenis wordt de vicepresident vervangen door het oudste lid der afdeeling.

Art. 23. De afdeeling, welker zamenstelling geregeld is

het tweede lid van art. 13, wordt belast met het onderzoek der geschillen van bestuur of andere, aan Onze beslissing onderworpen, en draagt Ous de uitspraak voor,

Zie ook artt. 28, 35 volgg. en 41 dier wet, en de artt. 47--55 van het Besluit houdende voorschriften ter vitroering der genoemde Wet, van den 4den September 1862 (Stb. no. 174).

c) Na het tot standkomen der Kieswet zijn de beide Kamers der Staten-Generaal ontbonden bij Besluit van den 9den Augustus 1850 (Stb. no. 50). De Tweede Kamer alleen werd ontbonden bij de Besluiten van den 26 sten April 1853 (Stb. no. 22), van den 28sten September 1866 (Stb. no. 161) [zie de daarop betrekkelijke Proclamatie des Konings in Stb. 1866 no. 165], en van den 3den Januarij 1868 (Stb. no. 3).

d) Zie het Besluit van den 4den September 1862 (Stb. no. 174), houdende voorschriften ter uitvoering van de Wet van den 21 sten December 1861 (Stb. no 129), en dat van den 28sten Junij 1862 (Stb. no. 135), houdende regeling van het

de betrekkingen van referendaris

commies van Staat bij den Raad van State.

e) Vg. artt. 21, 29 volgg. der Wet.

eramen

voor

en

van

alle zaken van algemeen of bijzonder belang, waarin hij zulks noodig oordeelt. (G. 57.) a)

De Koning alleen besluit, en geest telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad.

73 (74*—76). De Koning stelt ministeriele departementen in b), benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.

De hoofden der ministeriele departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt.

Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet. (Stb. 1855 no. 33.)

Alle Koninklijke besluiten - en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriele departementen medeonderteekend. (G. 53, 54, 115, 116, 117.)

DERDE HOOFDSTUK.

Van de Staten-Generaal.

EERSTE AF DEELING.

Van de Zamenstelling der Staten-Generaal. 74 (79). De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk. (G. 82.)

75 (80“). De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer. c)

76 (81, 142"). De leden der Tweede Kamer worden in de kiesdistricten, waarin het Rijk verdeeld wordt, gekozen door de meerderjarige ingezetenen, Nederlanders, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten, en betalende in de directe belastingen eene som, die, overeenkomstig met de plaatselijke gesteldheid, doch niet beneden het bedrag van [ 20, noch boven dat van / 160, in de kieswet zal worden vereischt. (Stb. 1850 no. 37.)

77 (81“). Het getal van de leden der Tweede Kamer wordt bepaald naar de bevolking, voor ieder 45,000 één. d)

De verdere regels ten aanzien van het kiesregt stelt de kieswet. (Stb. 1850 no. 37.)

78 (82*). De Eerste Kamer bestaat uit 39 leden.

Zij moeten behooren tot de hoogst aangeslagenen in de rijks-directe belastingen.

Het getal dezer hoogst aangeslagenen, waaruit zij worden gekozen, wordt in elke provincie zoo bepaald, dat op iedere drie duizend zielen één, die tevens de overige vereischten bezit om lid dezer Kamer te zijn, verkiesbaar is.

Deze overige vereischten zijn dezelfde, welke voor de leden der Tweede Kamer worden gevorderd.

van

a) Vg. artt. 24, 29 volgg. der Wet.

6) Op dezen oogenblik zijn er zeven, namelijk van Binnenlandsche Zaken, van Buitenlandsche Zaken, van Finantiën, van Justitie, van Oorlog, van Ma. rine en

Kolonien. De beide departementen van Eeredienst zijn opgeheven bij de Besluiten van den 21sten April 1862 (Stb. nis. +2 en 43) en, (na hersteld te zijn bij de Besluiten van den 2den Januarij 1868 (Stb. nis, I en 2)), bij die van den 29sten Julij 1868 (Stb. nie 115 en 116)

c) Vereenigde zittingen der beide Kamers worden gehouden in de gevallen, bedoeld bij de artt. 24,

36, 38, 39, 41, 43, 45, 50v., 98 der Grondw. Vg. art. 103

en de aanteekening daarop. In dubbelen getale vergaderen zij in de gevallen, bedoeld in de artt. 24 en 42.

d) Opdat dit voorschrift worde nagekomen, moet , volgens art. 99 der Kieswet, de tabel, regelende de verdeeliug des Rijks in kiesdistricten en bepalende het getal der in elk district te kiezen leden, om de vijf jaren worden herzien Die herziening heeft plaats gehad bij de Wetten van den 28sten December 1858 (Stb. no. 122), van den 22sten April 1864 ($16. no. 34),

van den 6deo Mei 1869 (Stb. n° 76).

en

« PreviousContinue »