Page images
PDF
EPUB

GESCHIEDENIS

VAN DE

NEDERLANDSCHE OOST-INDISCHE

BEZITTINGEN,

DOOR

J:'J. MEINSMA,

Direkteur van de Instelling voor Onderwijs in de Taal-, Land- en Volkenkunde

van Nederlandsch Indië te Delft.

EERSTE DEEL.

DELFT. – JOH. IJKEMA. -- 1872.

DS

34 ・M52 525830-322

VOORBERICHT.

Sedert eenige jaren bij het examen van ambtenaren voor de burgerlijke dienst in Nederlandsch Indië belast met dat van de geschiedenis, werd ik meer en meer overtuigd van het gemis eener bruikbare handleiding voor de beoefening van dat vak. Vooral toen mij aan de Instelling voor onderwijs in de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië alhier, na den dood van den Hoogleeraar Keijzer, ook het onderwijs in de geschiedenis ten deel viel, gevoelde ik dat gemis in de hoogste mate, bepaaldelijk ook, omdat mij bleek, dat zelfs de in den laatsten tijd verschenen belangrijke werken en mededeelingen dikwijls onopgemerkt bleven. Ik meende dus niet langer te moeten aarzelen zelf de handen aan het werk te slaan en te trachten iets te geven, dat beter in de behoefte kon voorzien dan het bestaande.

Ongaarne ging ik echter daartoe over, omdat ik wel begreep dat een groot gedeelte van mijn beschikbaren tijd daaraan zou moeten worden besteed, een tijd voor mij te meer kostbaar, omdat die zou moeten worden afgenomen van de studie der talen van den Indischen Archipel, die mijn hoofdstudie uitmaakt en waaraan nog zoovele krachten kunnen worden toegewijd.

Zoo ziet thans het eerste deel van dit werk het licht. Hoewel de onzuiverheid der bronnen dikwijls een groote moeijelijkheid voor de uitvoering was, meende ik toch dat dit bezwaar niet te zeer moest gelden, omdat het te lang zou duren, eer meer licht over vele punten zal zijn opgegaan, waartoe ook de voortzetting van den schoonen arbeid van den Heer Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, die reeds zooveel voor den beoefenaar van de Indische Geschiedenis heeft geleverd, en door wien reeds zooveel belangrijks tot onze

[ocr errors][merged small]

kennis is gekomen, veel zal kunnen bijdragen. Van zijne werken heb ik een ruim gebruik gemaakt; en moet ieder die in dit vak belang stelt, den Heer de Jonge voor zijn onvermoeid streven om ons de authentieke bronnen te openen erkentelijk zijn, ik voel mij in het bijzonder gedrongen hem mijnen dank te betuigen voor de groote welwillendheid mij in vele opzichten bewezen.

Ik heb het niet gewaagd eene uitvoerige geschiedenis van den Archipel vóór de komst der Nederlanders te leveren. De oude voorstelling bevredigde mij niet, toch waren verschillende punten mij niet helder genoeg om eene nieuwe te geven , zoodat ik heb gemeend mij met eene oppervlakkige schets te moeten vergenoegen.

Enkele gedeelten heb ik wat uitvoeriger behandeld dan andere, wanneer mij daarvoor nog onuitgegeven stukken ten dienste stonden. Dit was het geval met den opstand van Troena Djaja en met den Chineesch-Javaanschen oorlog van 1741 tot 1743.

Bij gebrek aan voldoende karakters heb ik in Javaansche woorden de letter a behouden, ook waar die met een o-klank zou moeten worden uitgesproken.

Gaarne erkennende, dat het werk niet zoo is geworden als ik het gewenscht had, hoop ik toch geen nutteloozen arbeid te hebben verricht.

Al zal menig hier beschreven feit waarschijnlijk eene andere gedaante aannemen, wanneer de bijzonderheden daarvan uit oorkonden en officiëele stukken nader aan het licht worden gebracht, betreur ik dit in geen enkel opzicht. Ik wensch alleen, dat mijn arbeid aan anderen tot spoorslag moge strekken om onze schoone Indische geschiedenis, dat tafereel van de kracht en den moed onzer vaderen, meer en meer te beoefenen en grondiger en beter te doen kennen.

DELFT, Mei 1872.

Nederland bezit in den Indischen Archipel een gebied, dat dit Rijk zelf vijftigmaal in grootte overtreft en het tot de tweede koloniale mogendheid der wereld maakt. Gering in beginsel waren die bezittingen; eerst behoorende aan een handelslichaam, daarna aan den Staat, werden zij achtereenvolgens gedurende ruim twee en een halve eeuw uitgebreid over het grootste gedeelte van Insulinde en hebben zij in vroeger en later tijd zeer veel toegebracht tot vermeerdering van welvaart en het verspreiden van rijkdom hier te lande.

Eerst werden overal betrekkingen aangeknoopt en kantoren gevestigd, totdat in 1605 op Amboina de eerste Nederlandsche sterkte werd gesticht en Nederlands oppergezag door de bewoners erkend. Dit was het begin van de geschiedenis der Nederlandsche bezittingen in Oost-Indië. Van dien tijd af werd de eene voor en de andere na daaraan toegevoegd, en 70 jaren later werden de magt en invloed der Nederlandsche Kompagnie over de geheele uitgestrektheid van Kaap de Goede Hoop tot Nieuw Guinea geëerd en gevreesd. Toen bereikte zij het toppunt van haar bloei, en ofschoon van nu af de uitwendige magt bleef toenemen, het gebied van de Kompagnie zich voortdurend uitzette, en de meeste Vorsten van den Archipel voor haar zich bogen, was toch reeds onder die uitwendige grootheid de inwendige kanker verborgen, welke het machtige handelslichaam ondermijnde en aan het einde der 18e eeuw geheel deed instorten. Hare bezittingen, door den Staat overgenomen, traden daarmede het tweede tijdperk harer geschiedenis in. Na met Nederland onder Fransche heerschappij te hebben gestaan,

« PreviousContinue »