Page images
PDF
EPUB

brengen en te doen brengen ter kennis van alle Regtbanken en Vredegeregten in deszelfs Ressort.

2. Aan den Eersten-Advokaat-Generaal, waarnemende de functiën van Procureur-Generaal, met gelijke aanschrijving, ten aanzien der Procureurs-Crimineel en verdere Officieren in voorz. Ressort.

3o. Aan alle Commissarissen-Generaal tot informatie en narigt; mitsgaders aan de Commissarissen-Generaal in de Departementen, ten einde voor de publicatie en affixie, in alle de daartoe behoorende Gemeenten, zorge te dragen.

Gedaan in 's Gravenhage, den 11den December 1813, en van Onze Regering het Eerste.

[blocks in formation]

NALEZING OP DE ZEGELWET.

(Zie de Wet van 3 October 1843 (Stb. n°. 47), hierboven III. bl. 38 volgg.)

WET

van 11 Julij 1882 (Stb. n°. 93), tot wijziging der wet op het regt van zegel.

WIJ WILLEM III, enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om de Wet van 3 October 1843 (Staatsblad n°. 47) op het regt van zegel nader te herzien, ten einde de naleving harer bepalingen en daardoor aan de schatkist eene hoogere opbrengst van dat regt te verzekeren;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL 1.

Aan een vast zegelregt van vijf centen zijn onderworpen alle zonder tusschenkomst van een openbaar ambtenaar opgemaakte of niet uitdrukkelijk van zegelregt vrijgestelde quitantien en andere eenzijdige acten of geschriften, bevattende de erkenning door of namens den schuldeischer van het geheel of gedeeltelijk te niet gaan eener geldschuld, onverschillig in welken vorm die stukken overigens zijn opgemaakt, al ware het in dien van berigten of brieven.

Deze bepaling is niet toepasselijk op de quitantien voor betaalde Rijks-, provinciale of plaatselijke belastingen, polder-, dijk-, molen- of sluisgelden en andere waterschapslasten, waaromtrent de bestaande bepalingen blijven gelden.

2. Het bij artikel 1 bepaalde regt komt, zoo niet het tegendeel bedongen is, ten laste van den schuldenaar.

De voldoening van dat regt moet geschieden, zoo de daaraan onderworpen stukken hier te lande worden opgemaakt, door daarvoor te gebruiken het van Rijkswege uitgegeven gezegeld papier of het op verzoek van belanghebbenden gestempelde papier of perkament, of eindelijk door opplakking van een plakzegel vóór de onderteekening.

Is dit voorschrift niet nageleefd, dan wordt eene boete van vijf en twintig gulden door den schuldeischer verbeurd.

Zoo de voormelde stukken buiten 's lands zijn opgemaakt, geschiedt de voldoening van het regt tegen eene daarop te stellen quitantie van 's Rijks ambtenaar.

3. Het in het vorig artikel bedoelde gezegeld papier, van wege het Rijk uitgegeven, zal de hoogte en de breedte hebben bij artikel 20 der Wet van 3 October 1843 (Staatsblad no. 47) vastgesteld voor het gezegeld papier, klein formaat, bestemd voor stukken, aan evenredig zegelregt onderworpen. a)

a) Art. 20, lid e, der Wet van 3 October 1843 (Stb. n°. 43). Het gezegelde papier, in deze afdeeling

behandeld, zal, van wege het rijk, in groot en in klein formaat worden uitgegeven; het groot formaat

Ten aanzien van het in artikel 1 bedoelde bijzondere zegel gelden overigens de bepalingen der Wet van 3 October 1843 (Staatsblad no. 47), voor zoover de tegenwoordige wet daarvan niet afwijkt.

4. In het tweede lid van artikel 20 der Wet van 3 October 1843 (Staatsblad n°. 47) wordt het getal 15 door het getal 5 vervangen. a)

Het vierde lid van dat artikel wordt gelezen als volgt: b)

>>Het evenredige regt op de stukken, genoemd in nommer 2 van het volgende artikel, zal opklimmen met 5 centen tot 25 centen en voorts, evenals het overige evenredige regt, telkens met 25 centen tot vijf gulden en boven de vijf gulden telkens met 50 centen."

5. Art. 21 n°. 2 der Wet van 3 October 1843 (Staatsblad n°. 47) wordt vervangen door de navolgende bepalingen: c)

Alle wissels, orderbriefjes, assignatien, bank- en ander papier aan toonder en andere handelspapier, binnen het Rijk betaalbaar, alsmede de duplicaten of kopijen van al deze stukken, (behoudens de uitzonderingen in dit nommer en de vrijstellingen onder n°. 35, 48 en 62 van art. 27 litt. A vermeld) zijn onderhevig aan een regt van vijf cents van iedere honderd gulden.

Het regt wordt berekend over de som in het stuk uitgedrukt, over ronde sommen van honderd gulden tot een bedrag van ƒ 500; boven de ƒ 500 over ronde sommen van vijf honderd gulden tot een bedrag van ƒ 10 000 en boven de ƒ 10000 over ronde sommen van duizend gulden.

Wissels en alle ander handelspapier, buiten het Rijk betaalbaar, alsmede het binnen het Rijk betaalbare zoogenaamde kort papier, waaronder deze wet verstaat dat, hetwelk betaalbaar is gesteld hetzij op zigt of vertoon, hetzij uiterlijk drie dagen na zigt of vertoon of wel uiterlijk acht dagen na zijne dagteekening, is slechts onderhevig aan een vast regt van vijf centen.

Het daarvoor te bezigen gezegeld papier van wege het Rijk uitgegeven zal de hoogte en breedte hebben, vastgesteld in art. 20 voor het daar bedoelde gezegeld papier, klein formaat.

zal hebben eene hoogte van 3 palmen 2 duimen en 2 strepen en eene breedte van 4 palmen, en het klein formaat eene hoogte van 8 duimen, 8 strepen en 4 lijnen en eene breedte van 2 palmen en 8 duimen.

a) Het luidt dus thans: Het geringste zegel zal hebben eenen stempel van 5 centen en het hoogste eenen stempel van ƒ 20.

6) Het luidde: Het regt zal opklimmen van 15 centen tot 25 centen, en voorts telkens met 25 centen tot aan 5 gulden, en boven de 5 gulden, telkens met 50 centen.

c) Het luidde: Alle prima-, secunda-, tertia- en verdere wisselbrieven, orderbriefjes of promessen aan order, assignatiën, bank- en ander papier aan toonder, en ander handelspapier, alsmede de duplicaten of kopijen van al deze stukken (behoudens de bepalingen van het volgende nommer en de vrijstellingen vermeld onder nis. 35, 48, 61 en 62 van art. 27, litt. A) zijn onderhevig aan het navolgende regt,

te weten:

a. Wanneer de stukken binnen het rijk betaalbaar
zijn, vijf centen van iedere honderd gulden.
b. Wanneer de stukken buiten het rijk betaalbaar
zijn, twee en een halve cent van iedere hon-
derd gulden.

Het regt wordt berekend over de som in het stuk uitgedrukt, en wel:

in het geval onder letter a bedoeld, over ronde sommen van f 500 tot aan het bedrag van f 10,000, en boven de f 10,000, over ronde sommen van f 1,000;

in het geval onder letter bedoeld, over ronde sommen van f 1,000, tot een bedrag van f 20,000, en boven de ƒ 20,000, over ronde sommen van ƒ 2.000.

Echter zal het regt in het eerste geval voor sommen van f 300 of daarbeneden, en, in het tweede geval, voor sommen van f 600 of daarbeneden, slechts over die ƒ 300 of ƒ 600 worden berekend.

Wanneer de voormelde stukken buiten 's lands of in de overzeesche bezittingen van het rijk zijn opgemaakt of daaruit getrokken, moet daarvan het zegelregt worden voldaan (behoudens de vrijstelling, vermeld onder no. 62 van art. 27, litt. A.) alvorens binnen het rijk verhandeld, geaccepteerd, voor aval geteekend, geendosseerd, overgedragen, gequiteerd, betaald, of op eenige wijze met eene handteekening in blanco voorzien te worden.

Bij overtreding is, voor ieder stuk in dit nommer bedoeld, eene boete verbeurd ten beloope van tien ten honderd van de in het stuk uitgedrukte som, bijaldien het stuk is ongezegeld of het regt niet is voldaan; van welke som echter, ingeval een ontoereikend zegel is gebruikt, voor de berekening der boete zal worden afgetrokken dat gedeelte, waarvoor het gebezigde zegel, naar den aard van het stuk, had kunnen worden gebruikt.

De voormelde boete moet gelijktijdig met de zegelregten worden voldaan door dengene die de stukken aanbiedt, behoudens deszelfs verhaal op wien behoort,

In geval van overtreding van eene der vorenstaande bepalingen is eene boete verbeurd van honderd maal het niet betaalde regt, doch minstens vijf en twintig gulden.

Is een aan evenredig regt onderhevige, in het buitenland getrokken wissel in meer dan één exemplaar opgemaakt, of zijn daarvan kopijen vervaardigd, dan zijn de meerdere exemplaren en kopijen vrij van het regt, mits:

a. op den prima- of den oorspronkelijken wissel het regt behoorlijk zij voldaan; b. de houder of de acceptant, die binnen het Rijk op een der meerdere exemplaren of der kopijen het eerst zijne handteekening zet, aan die handteekening de daardoor tevens bekrachtigde verklaring doe voorafgaan:

>>>Het zegelregt is op den .... (prima- of oorspronkelijken) wissel behoorlijk voldaan."

Hij, die deze verklaring in strijd met de waarheid onderteekent, beloopt duizend gulden boete.

Wanneer de aan het zegelregt onderhevige stukken buiten 's lands zijn opgemaakt, moet daarvan het regt worden voldaan (behoudens de vrijstelling vermeld onder no. 62 van art. 27, lit. A), alvorens hier te lande verhandeld, geacceptserd, geëndosseerd, betaald, gequiteerd of voor aval geteekend te worden, of eindelijk vóórdat wegens non-acceptatie of non-betaling dier stukken protest wordt opgemaakt.

Eene boete van honderd maal het niet overeenkomstig de wet betaalde regt, doch minstens van vijf en twintig gulden wordt verbeurd door ieder, die eenig in dit nommer bedoeld stuk, hetwelk niet van behoorlijk zegel is voorzien. onverschillig of het binnen- of buiten 's lands is opgemaakt, hier te lande heeft verhandeld, geaccepteerd, geëndosseerd, betaald, gequiteerd of voor aval geteekend, of eindelijk wegens non-acceptatie of non-betaling van zoodanig stuk eene acte van protest heeft doen opmaken, zonder vooraf het zegelregt te voldoen.

Deze voldoening kan door iederen houder van een wissel, orderbriefje, assignatie of ander handelspapier, wiens handteekening niet of niet in strijd met de wet op het stuk voorkomt, zonder betaling van boete geschieden, waarna dat stuk, ten aanzien van dien houder en van latere houders, als behoorlijk gezegeld wordt aangemerkt.

Iedere houder is tot deze voldoening verpligt, op straffe van aansprakelijkheid jegens den Staat voor de boeten door vroegere houders beloopen.

Als betaling vóór het protest geldt de terhandstelling van het verschuldigde regt door den houder, die protest doet opmaken, aan den hiermede belasten ambtenaar, mits deze in zijne acte die terhandstelling vermelde en het zegelregt in 's Rijks schatkist overstorte bij de aanbieding dier acte ter registratie.

De aanduiding »zonder kosten" en elke andere daarvoor in de plaats tredende vermelding op het stuk, alsmede iedere overeenkomst, ten doel hebbende den houder te ontheffen van zijne verpligting om protest te doen opmaken, is nietig, indien zij betrekking heeft op een handelspapier, dat niet of niet voldoende gezegeld is.

6. De vrijstelling voor de »zoogenaamde kassiersbriefjes", verleend bij art. 27 A, no. 61, der Wet van 3 October 1843 (Staatsblad no. 47) a), vervalt. 7. Het eerste lid van artikel 30 der Wet van 3 October 1843 (Staatsblad n°. 47) wordt gelezen als volgt: b)

>>Het is aan de ambtenaren van de registratie en het zegel verboden eenig

a) Het luidde: Van het zegelregt zijn vrijgesteld: de zoogenaamde kassiersbriefjes, waaronder in geen geval kunnen begrepen worden briefjes aan order of toonder, door kassiers afgegeven.

b) Het luidde: Het is aan de ambtenaren van de registratie en het zegel verboden eenig stuk, hetwelk niet overeenkomstig deze wet is gezegeld, zonder betaling van boete, van zoodanig zegel te voorzien.

stuk, hetwelk niet overeenkomstig de wet is gezegeld, zonder betaling van boete van zoodanig zegel te voorzien, behoudens het geval van het tiende lid van artikel 21, nommer 2."

In het eerste lid van art. 31 der evengemelde wet a) vervallen de woorden: >> dezer wet".

8. Na het eerste lid van artikel 34 der Wet van 3 October 1843 (Staatsblad no. 47) volgt een nieuw lid van den volgenden inhoud: b)

› Bij ontdekking van overtreding van artikel 21 dezer Wet in of ten aanzien van de aldaar in n°. 2 genoemde stukken neemt 's Rijks ambtenaar den letterlijken inhoud van zoodanige stukken, met al de daarop gestelde verklaringen en handteekeningen in zijn proces-verbaal over, hetwelk ook te dien. aanzien volledig geloof zal verdienen behoudens tegenbewijs.'

""

9. De zegelregten, verschuldigd volgens het bij artikel 5 dezer Wet gewijzigde artikel 21, nommer 2, der Wet van 3 October 1843 (Staatsblad n°. 47), kunnen door den trekker of onderteekenaar, den acceptant, den endossant en den houder, die quiteert, worden voldaan door opplakking van een plakzegel.

10. Het plakzegel, bedoeld in de artikelen 2 en 9 dezer Wet, wordt van wege het Rijk uitgegeven; de vorm daarvan wordt door Ons bepaald, en artikel 6 der Wet van 3 October 1843 (Staatsblad no. 47) is daarop toepasselijk. c)

De wijze waarop het behoort gebruikt te worden, wordt door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld.

Zijn de daarbij vastgestelde voorschriften niet alle nagekomen, dan wordt het stuk beschouwd alsof het zegel daarop niet geplakt ware.

11. Degeen, die een plakzegel, wetende dat het reeds gebruikt is, andermaal gebruikt, verkoopt of te koop aanbiedt, wordt voor den strafregter vervolgd en met eene boete van f 50 tot f 1000 gestraft.

De artikelen 1 tot en met 7 der Wet van 22 April 1864 (Staatsblad no. 29) d), houdende bepalingen voor het geval van wanbetaling van boeten in strafzaken, zijn in dezen van toepassing.

Hij die plakzegels namaakt of vervalscht of wel nagemaakte of vervalschte plakzegels des bewust gebruikt, verkoopt of te koop aanbiedt, wordt gestraft met dezelfde straffen als omtrent het namaken, vervalschen of gebruik maken van nagemaakte of vervalschte zegels van het Rijk is bepaald.

Op de overtreding van dit artikel zijn toepasselijk art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art. 20 van de Wet van 29 Junij 1854 (Staatsblad no. 102). e)

a) Het luidt dus thans: In geval van overtreding moet, behalve de boete, gelijktijdig het niet of te min betaalde regt, hetwelk nog mogt verschuldigd zijn, worden betaald.

b) Het luidt dus thans in zijn geheel: De ambtenaren van de registratie en het zegel zullen van alle overtredingen in zake van zegel, door hen ontdekt, dadelijk proces-verbaal opmaken, wanneer de regten en boeten niet onmiddellijk worden betaald.

Bij ontdekking van overtreding van artikel 21 dezer wet in of ten aanzien van de aldaar in n°. 2 genoemde stukken neemt 's Rijks ambtenaar den letterlijken inhoud van zoodanige stukken, met al de daarop gestelde verklaringen en handteekeningen in zijn proces-verbaal over, hetwelk ook te dien aanzien volledig geloof zal verdienen, behoudens tegenbewijs.

De processen-verbaal zullen, binnen dertig dagen na de opmaking, aan partijen worden beteekend, bij gebreke waarvan het regt tot vervolging zal vervallen zijn.

c) Art. 6 der Wet van 3 October 1843 (Stb. n°. 47). Het is een ieder, die niet door of van wege het

[blocks in formation]

e) Art. 463 Code Pénal. Dans tous les cas où la peine d'emprisonnement est portée par le présent Code, si le préjudice causé n'excède pas vingt-cinq francs, et si les circonstances paraissent atténuantes, les tribunaux sont autorisés à réduire l'emprisonnement même au-dessous de six jours, et l'amende même au-dessous de 16 francs. Ils pourront aussi prononcer séparément l'une ou l'autre de ces peines, sans qu'en aucun cas elle puisse être au-dessous des peines de simple police.

Art. 20 der Wet van 29 Juni 1854 (Stb. n°. 102). Het artikel 463 van het Wetboek van Strafregt kan

« PreviousContinue »